Crito: Een dialoog van Plato
Texto / traducción : Michiel Jan Noordewier (1806–1865) · Edición : 1846
Los textos históricos pueden utilizar ortografía o vocabulario antiguos. Se conserva la edición original; no es una nueva traducción.
Fuente y ediciónThis eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg™ License included with this eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.
Aanteekeningen (continuación)
[Voetnoot 33: Zich ernstig op ligchaamsoefeningen toelegt ... Bekend is ’t, hoe veel werk de Grieken van deze oefeningen maakten, hoe hunne nationale feesten voor een gewigtig deel in dezelve bestonden, en haar zoo een bijzonder gewigt bijzetten in de oogen des volks. Levendig begrepen zij, hoe veel de gezondheid en de volledige ontwikkeling van de kracht des ligchaams toebrengt tot die der ziel. Verg. aant. 53.]
[Voetnoot 34: Die des Eenen ... „’t Is duidelijk,” zegt Nüsslin ter dezer plaatse, „dat Socrates hier God meent.” Eenige plaatsen bij Plato, die hij ten bewijze aanvoert, laten wij hier volgen:
„Een is wijzer dan alle; die alleen is de maatstaf.--God zij onze regel in alles, meer dan eenig mensch.--Niemand is wijs, dan (de) God; de menschelijke wijsheid is weinig waard; en onder de menschen is hij de wijsste, die dit met Socrates heeft ingezien.--Men moet Gode zoo veel mogelijk gelijkvormig worden; die gelijkvormigheid bestaat in verstandig, braaf en vroom te zijn.--Twee voorbeelden hebben wij: het goddelijke, dat van het hoogste geluk; het niet-goddelijke, dat der rampzaligheid.”]
[Voetnoot 35: Heeft--het leven--iets bekoorlijks? ... Men wane niet--zoo als bij eenzijdige gevolgtrekking welligt het geval zou kunnen zijn,--dat Socrates hier zijlings den zelfmoord verdedigt. In tegendeel: volgens hem staat ieder mensch hier op eenen post, hem door God aangewezen, en dien hij zonder het hoogst bevel niet mag verlaten.]
[Voetnoot 36: (Wij houden) dus (de ziel) voor kostelijker. „Onder alles, wat wij hebben,” zegt Socrates elders, „is naast God onze ziel het goddelijkste.” En: „hoe veel geringer een ongeluk is het met een ziekelijk ligchaam te leven, dan met eene bedorvene, onheilige ziel!” Meer gelijkluidende plaatsen heeft Nüsslin bijeengebragt.]
[Voetnoot 37: De vorige ... „De redenering, welke wij hebben doorgeloopen,” namelijk over ’t oordeel van den grooten hoop, „schijnt nog dezelfde,” verschilt niets van die, welke wij vroeger hebben uiteengezet, toen ik nog niet was aangeklaagd. Hierop schijnen de woorden de vorige te doelen. Anderen vatten de plaats anders op.]
[Voetnoot 38: Niet tegen mijnen zin ... De edele vriendschap, met welke gij mij herhaaldelijk aanraadt te vlugten, acht ik alleszins hoog; maar, daar ik mij door geen’ invloed van buiten laat leiden, moet gij toch mijn inzigt behoorlijk laten gelden.]
[Voetnoot 39: Wie onregt lijdt, het weerom doen ... Nüsslin trekt uit deze plaats, waarbij hij ettelijke anderen voegt, het gevolg, dat men te overijld den Ouden alle begrip van liefde jegens vijanden heeft ontzegd; en dat in de meeste plaatsen hunner schriften, waar haat jegens vijanden wordt gebillijkt, de vijand in den oorlog wordt bedoeld.--Alle begrip ... dit is te veel gezegd; maar alleen Socrates en de zijnen stonden met enkele edelen hooger dan de groote hoop; en Socrates zelf is in zijne Verdediging zoo schamper, zijne taal zoo vernederend voor regters en tegenpartij, dat daarbij het denken aan wraak natuurlijk bij u opkomt. Buitendien moet men niet vergeten, hoe weinig algemeenen invloed bij de Ouden de wijsgeerige school had op de praktiek des levens. (Verg. onze inleiding.) Deze spreekt veeleer bij de dramatische dichters: het tooneel en het leven der Ouden stond in veel naauwer verband dan bij ons. En uit deze blijkt, dat wraak bij de Ouden niet alleen geoorloofd was, maar zelfs eene zaak van eer. „Eene groote zaak versta ik,” zegt Archilochus, „hem, die mij kwaad gedaan heeft, met vreesselijk kwaad te vergelden.” Dat bij ’t volk wraak de leuze was, blijkt eveneens uit vele plaatsen bij de treurspeldichters; in ’t algemeen eischten de Grieken van den man in staat te zijn om zijn vaderland nuttig, zijn’ vijand geducht te zijn. Zij kennen den man, den burger; aan het goddelijke Christendom was en blijft het voorbehouden den mensch te leeren zegenen, wie hem vloekt.]
[Voetnoot 40: Beloofd, omdat het regtvaardig was ... Het niet nakomen van eene vrijwillige belofte berokkende--bij de Romeinen althans--in zekere mate eerloosheid.]
[Voetnoot 41: En de wetten -- -- vroegen ... Dit welsprekend leenen van ziel en spraak aan iets onbezields is meermalen nagevolgd. Bij Buttmann vindt men eene dergelijke plaats aangehaald uit de: „Oeuvres de Frédéric II, publiées du vivant de l’auteur.”]
[Voetnoot 42: Tot het verdrag tusschen ons en u ... Leo gelooft, dat Socrates hier ook bedoelt: den eed, dien de atheensche burgers moesten afleggen, van dezen inhoud: „aan de wetten, die vastgesteld worden, zal ik gehoorzamen, en aan alle andere, welke het volk met gemeen overleg zal vaststellen;--en indien iemand de wetten vernietigt, of ze niet gehoorzaamt, dat zal ik niet toelaten, maar tegengaan, zoo wel alleen, als met allen.”]
[Voetnoot 43: Muzijk en gymnastiek ... Volledige ontwikkeling naar ziel en ligchaam. Gelijk namelijk bij ons de gymnastiek in ruimen zin de beoefening bevat van al wat het ligchaam kracht, vlugheid en bevalligheid kan bijzetten; zoo verstonden de Grieken onder muzijk--der Muzen wetenschap--de schoone wetenschappen, poëzij, welsprekendheid, wijsbegeerte, de eigenlijke muzijk; in één woord, al wat den smaak voor ’t schoone ontwikkelt en de ziel veredelt. Tot eene opvoeding, die wij fatsoenlijk zouden noemen, behoorden: letterkunde in ruimen zin, muzijk en gymnastiek. Wie b. v. niet in eigenlijke muzijk ervaren was, werd niet voor een’ beschaafd man gehouden.
Protagoras schildert de opvoeding der atheensche jeugd aldus: „Van de teerste kindschheid af aan, zoo lang de naaste betrekkingen leven, onderwijzen en vermanen zij het kind. Zoodra het, wat er gezegd wordt, kan begrijpen, doen de minne en de moeder en de oppasser en de vader zelf hun best, dat het kind zoo goed mogelijk worde, en onderrigten hem bij ieder woord of daad, en toonen hem, dat het eene regtvaardig, het andere onregtvaardig is, en schoon of niet, en vroom of goddeloos; en dat hij het eene doe, het andere niet. En gehoorzaamt hij vrijwillig, dan is ’t wèl; zoo niet, dan brengen ze hem, als een kromgegroeid rijsje, teregt door dreigen en slaan. Daarna zenden zij hem naar school, en drukken het den meester veel meer op het hart, om te zorgen voor de zedigheid der kinderen, dan voor hun lezen en hun spelen op de lier. De meesters zorgen hiervoor; en wanneer zij dan het lezen geleerd hebben, en weldra het geschrevene zullen verstaan, gelijk vroeger den toon, dan geven zij hun op de banken de werken van voortreffelijke dichters te lezen, en laten ze hen van buiten leeren, welke vele teregtwijzingen bevatten, en vele verhalen van de deugden van de mannen van ouds, die ze roemen en verheffen; opdat de knaap naijverig hen navolge, en trachte even zoo voortreffelijk te worden. De muzijkmeesters dragen eveneens op dergelijke wijze zorg voor zedigheid, en dat de knapen geen kwaad doen; daarenboven, wanneer zij geleerd hebben de lier te bespelen, leeren zij hun weder gedichten van andere dichters, van lierdichters, die ze op muzijk brengen; en zij dwingen maat en harmonie in de ziel der knapen, opdat zij zachter worden, en, meer aan maat en regel gewend, geschikt voor woord en daad. Want het geheele leven van den mensch behoeft maat en gepasten toon.--Dan zendt men hen nog naar den meester in ligchaamsoefeningen, opdat zij met een beter ontwikkeld ligchaam, ook eene edele denkwijze kunnen opvolgen, en niet genoodzaakt worden lafhartig te handelen wegens gemis aan ligchamelijke kracht en vlugheid en in oorlog en in andere bedrijven. Dit doen de meest vermogenden, wier kinderen het vroegst en het langst de scholen bezoeken.”
Dus: huisselijke opvoeding;--lezen en de beginselen der muzijk, dichtstukken van buiten leeren;--eigenlijke muzijk en lierdicht;--ligchaamsoefeningen; terwijl overal orde en zedigheid streng werd geëischt; dit was, naar Solons instellingen, de gang der voorbereidende vorming der jeugd. Wat wij nog meer hebben genoemd, leerde de verder gevorderde jongeling van mannen als Protagoras en anderen.]
[Voetnoot 44: Lijfeigene ... zoo als Demaratus tot koning Xerxes zeide: „Vrij zijn de Spartanen, maar toch niet geheel; want over hen heerscht de wet, aan welke zij meer dan de uwen aan u gehoorzamen.”]
[Voetnoot 45: Geweld te gebruiken ... Niet alleen dit was snood; maar de zoon, die zijne ouders den verschuldigden eerbied niet betoonde, werd van alle ambten uitgesloten.]
[Voetnoot 46: Burger is geworden ... De jonge Athener, die ’t volledig burgerregt verlangde, werd opgeteekend in de kieslijst; maar eerst moest hij een onderzoek ondergaan over afkomst, wettige geboorte, in één woord over ’t gene als vereischte voor het burgerregt werd aangemerkt. (Stallbaum, Buttmann, Schleiermacher.--Maar Leo volgt eene andere lezing, die volgens St. slechts in een hdsch. voorkomt, maar vroeger algemeen werd gevolgd.)]
[Voetnoot 47: Drievoudig misdoet ... Jegens de wetten: 1. als de oorzaken van zijn aanwezen; 2. als zijne opvoedsters; 3. als nooit onredelijke gebiedsters, die slechts voorstellen ... Keuren en wetsbepalingen werden, vóór de bekrachtiging, openlijk ten toon gesteld; om ze door ieder te laten lezen en beoordeelen, of ook iemand iets beters had voor te stellen.]
[Voetnoot 48: Nooit -- -- uit de stad geweest ... Zie de Inleiding.]
[Voetnoot 49: U tot ballingschap te veroordeelen ... De aanklager gaf, althans in gevalle dit niet bij de wet was bepaald, de straf op, die naar zijn inzigt de beklaagde door zijn misdrijf had verdiend. Was dan de zaak geregtelijk onderzocht, dan vroeg de overheid, in gevalle de beklaagde werd veroordeeld, den veroordeelde, welke straf hij zelf meende verdiend te hebben. Het antwoord van Socrates vindt de lezer in meergemelde verhandeling van Prof. P. Hofstede de Groot.]
[Voetnoot 50: Noch uit nood ... De sprekend ingevoerde wetten ontzenuwen hier alle mogelijke exceptiën, die tegen de geldigheid van een aangegaan verdrag kunnen worden ingebragt. (Jacobs.)]
[Voetnoot 51: Lacedaemon -- -- Creta ... In Plato’s werk: „Over den Staat,” worden deze staatsregelingen door Socrates als de beste geprezen (VIII, 544 c.), en zoo op meer plaatsen, bij Buttmann verzameld. Xenophon, gelijk bekend is, zeer met Lacedaemon ingenomen, prijst hare staatsinrigting, onder anderen, wegens de voorbeeldige gehoorzaamheid der burgers, en de hooge achting jegens grijsaards. Plato prijst als eene der voortreffelijkste verordeningen in Creta en Sparta, dat het jonge menschen verboden was hunne wijsheid uit te kramen over eenige wet, of ze goed was of niet. Had een bejaard man er eenige aanmerking op te maken, dan had hij het der overheid mede te deelen, mits niet in tegenwoordigheid van jonge lieden.]
[Voetnoot 52: Hades woningen ... der dooden verblijf.]
[Voetnoot 53: Wie de ooren suizen ... Er staat: „die de Corybanten-ongesteldheid hebben.” Corybanten waren priesters, die, zoo ze dachten, vol van de godheid, dansten. Corybanten-ziekte, eene ingebeelde ongesteldheid, waarbij men meende fluiten-muzijk te hooren, en die men waande van de Corybanten te komen. De zieken werden daarbij door geweldige onrust gejaagd, en gekweld door eene slapeloosheid, die door muzijk genezen werd.--Schleiermacher’s opvatting van deze plaats scheen ons de voorkeur te verdienen, boven ’t geen anderen hebben, b. v. Corybanten in geestdrift, de Corybantiasten, enz.]
[Voetnoot 54: Der goden bevel opvolgen ... Hoe geheel Socrates zich aan den goddelijken wil overgaf, blijkt overvloedig uit eene reeks van heerlijke plaatsen, door Nüsslin bijeengebragt.]
Voetnoten
[Voetnoot A: Veertien kinderen, die de Atheners jaarlijks aan Minos van Creta moesten zenden, tot boete voor den moord, aan zijnen zoon Androgeus gepleegd.]
[Voetnoot B: Het woord theorie, dat wij hier hebben vertaald door gezantschap, zending, beteekent eigenlijk: eene verrigting ter vereering van den god.]
Derechos y procedencia
Complete Crito in the 1846 Dutch translation by Michiel Jan Noordewier, with the translator’s historical annotations. The source edition divides the dialogue into seventeen sections; its separate introduction and subscriber list are not included in the reading text. Paired Gutenberg underscores marking italics are omitted from the reading text; the historical spelling is retained. Plato and Noordewier, who died in 1865, are in the public domain in France. Project Gutenberg credits and full licence are preserved in /texts/crito-noordewier-nl-source.txt. Source checked 28 October 2026; legal status may differ outside France.
Historical text: public domain in France. Project Gutenberg source, credits and terms retained.
Consultar la edición fuente