Platon / Langue du texte : néerlandais

Crito: Een dialoog van Plato

Texte / traduction : Michiel Jan Noordewier (1806–1865) · Édition : 1846

Ces textes historiques peuvent employer une orthographe ou un vocabulaire anciens. L’édition d’origine est conservée : il ne s’agit pas d’une nouvelle traduction.

Source et édition

This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg™ License included with this eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Sectie VIII (suite)

Crito. Geenszins.

Socrates. Dus voor kostelijker[36].

Crito. Verre weg.

Socrates. Dus hebben wij ons, mijn beste, in ’t geheel zoo niet te bekreunen om ’t gene de groote hoop van ons zal zeggen; maar om ’t gene de kenner van regt en onregt, de Eéne, en de waarheid zelve zegt: zoodat gij dadelijk van ’t begin af, van eene verkeerde stelling zijt uitgegaan, door te beginnen met de bewering, dat wij ons moesten storen aan de meening van den grooten hoop over regt, en eer, en deugd, en het tegendeel.

Maar, zou men kunnen zeggen, het staat toch in de magt van den grooten hoop om ons te dooden?

Crito. Ook dat voorwaar blijkt; wel zou men dat kunnen zeggen, Socrates!

Socrates. Gij zegt de waarheid. Maar, mijn wonderlijke vriend! deze redenering, die wij hebben doorgeloopen, schijnt mij althans nog dezelfde als de vorige[37].--Ga nu ook deze eens weder na, of ze voor ons geldig blijft of niet: „dat wij niet het leven het hoogste moeten schatten, maar wèl te leven.”

Crito. Wel, ze blijft geldig.

Socrates. Dat wèl te leven, en edel en regtvaardig te leven, dat dit hetzelfde is, blijft dat geldig of niet?

Crito. Dat blijft geldig.

Sectie IX

Socrates. Naar ’t gene wij toegeven, moeten wij dus zien, of het regtvaardig is, dat ik, zonder toestemming der Atheners, tracht hier uit te komen, of niet regtvaardig; en indien het regtvaardig blijkt te zijn, dan willen wij het beproeven; en zoo niet, dan willen wij het laten.

De bedenkingen, die gij ter bane hebt gebragt over ’t besteden van geld, en over goeden naam, en over kinderopvoeding, die vrees ik dat inderdaad bedenkingen zijn van lieden, die u ligtelijk zouden willen dooden, en in hun eigen belang in ’t leven terugroepen, indien zij konden, zonder eenigen grond; namelijk van dien grooten hoop. Voor ons daarentegen, daar de rede het zoo eischt, valt denkelijk niets anders te overwegen, dan ’t gene wij nu reeds zeiden: of wij regtvaardig zullen handelen, door geld te betalen aan wie mij hieruit zullen brengen, en dank; of we wèl zullen doen, zoo wel die zelve mij uit den kerker willen voeren, als ik, die mij er uit zou laten brengen;--en, of wij werkelijk onregtvaardig zullen handelen, door dit alles te doen. En zoo het blijkt, dat het onregtvaardig van ons gehandeld is, dan moeten wij denkelijk niet in aanmerking nemen, noch of wij moeten sterven door hier te blijven en ons stil te houden, noch of wij, wat dan ook, zullen lijden, vóór wij hebben gezien of wij ook misschien onregt doen.

Crito. Heerlijk gesproken, dunkt mij, Socrates! Zie nu, wat wij zullen doen.

Socrates. Onderzoeken wij dat gemeenschappelijk, mijn beste! en hebt gij ergens iets tegen in te brengen, terwijl ik spreek, spreek mij dan tegen, en ik zal naar u luisteren; zoo niet, houd dan op, o gelukkige! mij dikwerf hetzelfde te zeggen, dat ik, tegen den wil der Atheners, van hier moet gaan. Ik reken het toch van veel belang, dat gij mij overreedt dit te doen, maar niet tegen mijnen zin[38].

Beoordeel dan het begin van het onderzoek, of gij er mede tevreden zijt, en tracht op mijne vragen te antwoorden, zoo als u het beste dunkt.

Crito. Dat zal ik trachten te doen.

Sectie X

Socrates. Zeggen wij, dat men op geenerlei wijze willens en wetens onregt mag doen;--of op de eene wijze wel, en op de andere niet?--of is het plegen van onregt op geenerlei wijze noch goed, noch schoon, gelijk door ons meermalen ook vroeger is toegegeven, en ook nog onlangs gezegd is? Of is ons dat alles, wat wij te voren toegestemd hebben, in deze weinige dagen ontvloeid? en hebben wij, Crito! zoo bejaarde mannen, bij onze ernstige gesprekken, sedert lang, zonder het zelve te weten, niets hooger gestaan dan kinderen?--of is het alleszins zoo als toen door ons gezegd werd: is, het zij de groote hoop het zegt, of niet, het zij wij een nog zwaarder, of ook een zachter lot dan dit hebben te ondergaan, evenwel het plegen van onregt, voor wie ’t doet, én slecht én schandelijk in ieder opzigt? Zeggen wij dat, of niet?

Crito. Wij zeggen het.

Socrates. Op geenerlei wijze derhalve mag men onregt doen.

Crito. Voorzeker niet.

Socrates. Evenmin mag, wie onregt lijdt, het weerom doen[39], zoo als de groote hoop meent, dewijl men toch in geen geval onregt mag doen.

Crito. Neen; dat is klaarblijkelijk.

Socrates. En hoe nu? Mag men kwaad doen, Crito, of niet?

Crito. Neen, zeker niet, Socrates.

Socrates. Wat dan? aangedaan kwaad met kwaad vergelden, zoo als de groote hoop zegt, is dat regtvaardig of niet?

Crito. Op geenerlei wijze.

Socrates. Denkelijk verschilt het niets den menschen kwaad te doen, en onregt te plegen.

Crito. Gij hebt gelijk.

Socrates. Dus mag men inderdaad geene verongelijkingen vergelden, noch eenig mensch kwaad doen, zelfs niet, wanneer men, wat dan ook, van hen lijdt. Zie wel toe, Crito! dat gij, door dit toe te stemmen, het niet tegen uwe meening toegeeft. Ik weet immers, dat weinigen zoo denken en denken zullen; en voor hen, die zoo denken, en voor wie ’t anders beschouwen, bestaat er geen gemeenschappelijk beraadslagen; maar noodwendig moeten zij elkander verachten, wanneer zij elkanders inzigten leeren kennen. Overweeg derhalve ook gij toch wel, of gij met mij overeenstemt in inzigt, en laat ons met deze bewering ons beraadslagen beginnen, dat het nooit regt is onregt te doen, noch het te vergelden; noch mishandelingen af te weren door zelf weder te mishandelen;--of ziet gij van dat grondbeginsel af, en deelt gij er niet in?--Ik voor mij heb reeds lang zoo gedacht, en denk nog zoo; is uw inzigt eenigzins veranderd, zeg het mij dan, en onderrigt mij. Blijft gij evenwel bij uwe vorige gevoelens, hoor dan de gevolgtrekkingen, die er uit voortvloeijen.

Crito. Wel, ik blijf er bij, en ben ’t met u eens. Spreek dan.

Socrates. Ik zeg dan wat er uit voortvloeit, of liever, ik vraag u: moet men, wat men iemand heeft beloofd, omdat het regtvaardig was[40], moet men dat doen, of bedriegelijk verbreken?

Crito. Men moet het doen.

Sectie XI

Socrates. Zie dan naauwkeurig toe, wat er van uit dit standpunt volgt.

Wanneer wij van hier gaan, zonder den staat te overreden, doen wij dan niet iemand kwaad, en wel wien dat het allerminste past, of doen we ’t niet? En blijven wij dan getrouw aan ’t gene wij hebben beloofd, omdat het regtvaardig was, of niet?

Crito. Ik heb geen antwoord op uwe vraag, Socrates, want ik begrijp ze niet.

Socrates. Beschouw het dan zoo. Gesteld: wanneer wij voornemens waren van hier weg te loopen, of hoe men ’t dan noemen moet; en de wetten en de staat kwamen bij ons, en vroegen[41]: „zeg, Socrates! wat hebt gij in den zin te doen? Dwalen wij, of zijt gij voornemens door ’t gene gij onderneemt, ons, de wetten en den geheelen staat te vernietigen, voor zoo ver ’t in uwe magt staat? Of meent gij, dat een staat nog kan blijven bestaan, en niet onderstboven gekeerd ligt, in welken de gevelde vonnissen geenerlei kracht hebben, maar door enkele burgers krachteloos worden, en vernietigd?”--Wat zullen wij, o Crito! op deze en dergelijke redenen zeggen? Veel zou menigeen, voornamelijk een redenaar, kunnen zeggen over ’t vernietigen der wet, die bepaalt, dat gewezen vonnissen van kracht zullen zijn. Of zullen wij er misschien op antwoorden: „de staat behandelde ons immers onregtvaardig en besliste het geding verkeerd?” Zullen wij dit zeggen, of iets anders?

Crito. Dit voorwaar, o Socrates!

Sectie XII

Socrates. „Wat dan?” zouden de wetten zeggen; „behoort voorwaar ook dit regten over den staat tot het verdrag tusschen ons en u[42], of brengt dat verdrag mede, dat gij u zoudt houden aan de gewijsden van den staat?”--Verwonderden wij ons dan over hare taal, dan zouden zij denkelijk zeggen: „Socrates! verwonder u niet over ’t gene wij zeggen; maar antwoord; gij zijt immers gewoon aan het vragen en antwoorden. Welaan dan! wat hebt gij tegen ons en den staat in te brengen, dat gij tracht ons te vernietigen? Hebben wij niet in de eerste plaats u het aanzijn gegeven? en heeft niet uw vader door onze bemiddeling uwe moeder ten huwelijk genomen, en u verwekt? Overweeg derhalve: berispt gij iets in die wetten onder ons, die over ’t huwelijk zijn vastgesteld, dat ze niet goed zijn?” „Ik berisp ze niet,”--zou ik zeggen.--„Dan op de bepalingen, op de opvoeding en de vorming van het kroost, volgens welke gij ook zijt opgevoed? Of hebben diegene onzer, de wetten op dit stuk gegeven, die uwen vader gebieden u in de muzijk en gymnastiek[43] op te voeden, dit niet goed geregeld?”--„Goed,” zou ik zeggen. „Dat dan daar gelaten; nadat gij geboren en groot gebragt en opgevoed waart, zoudt gij ten eersten kunnen beweren, dat gij niet onze nakomeling en lijfeigene[44] waart, gij zelf en uwe voorvaderen? En indien dit zoo is, gelooft gij dan, dat hetzelfde regt geldt voor u en voor ons? en meent gij, dat, al wat wij ondernemen u te doen, gij het met hetzelfde regt weêrom moogt doen? of hadt gij geen gelijk regt jegens uw’ vader, en jegens uwen heer, indien gij er eenen hadt, zoodat ge, al wat ge ondergingt, dat niet ook weêrom mogt doen, noch tegen te spreken, wanneer gij harde woorden hooren moest, noch ontvangene slagen weêrom te geven, en evenmin in andere dergelijke gevallen; maar zou het wel vrijstaan jegens het vaderland en de wetten, zoodat, indien wij ondernemen, u ter dood te brengen, omdat wij ’t voor regtvaardig houden, ook gij ons, de wetten en het vaderland, voor zoo ver ge kunt, zult beproeven op uwe beurt te vernietigen;--en zult ge zeggen door dat te doen, goed te handelen, gij, die inderdaad werk maakt van de deugd? Of zijt ge wijs in dien zin, dat ge niet weet, dat, meer dan uwe moeder en uw vader en al uwe voorvaderen, het vaderland iets kostelijks is, meer eerbiedwaardig en heilig en van hoogere waarde in ’t oog van goden en van verstandige menschen? En dat men meer vereering en gehoorzaamheid en onderdanigheid moet hebben voor ’t vaderland, wanneer het toornig is? En dat gij het óf beter moest inlichten, óf doen, wat het beveelt, en ondergaan, wat het u gebiedt te ondergaan, en kalm zelfs slagen en boeijen moet verdragen? Indien het u ten oorloge drijft om wonden te ontvangen of den dood te lijden, dat gij dit doen moet, en dat dit billijk is? en men niet mag wijken, noch terugtreden, noch zijn’ post verlaten; maar én in den oorlog én voor ’t gerigt, en overal moet doen, wat de staat gebiedt en het vaderland, of het anders te overtuigen van den eigenlijken aard van het regt? Dat geweld te gebruiken[45] noch geoorloofd is jegens uwe moeder, noch jegens uwen vader, en nog veel minder jegens het vaderland?” Wat zullen we hierop zeggen, Crito! dat de wetten waarheid spreken of niet?

Crito. Mij dunkt, ja!

Sectie XIII

Socrates. „Zie nu eens, Socrates!” zouden welligt de wetten zeggen, „of wij ook in deze bewering gelijk hebben, dat gij onregtvaardig jegens ons tracht te handelen, in ’t gene gij nu onderneemt. Wij namelijk, na u in het leven geroepen en gehouden, en u opgevoed, en u aandeel gegeven te hebben aan al het goede, dat in onze magt stond, aan u en al de andere burgers; wij verklaren echter,--door ’t verlof, dat wij verleenen aan ieder’ Athener, die wil, nadat hij burger is geworden[46], en den staat van zaken en ons, de wetten, heeft gezien;--dat, wien wij niet mogten behagen, het hem vrijstaat, om met het zijne heen te gaan, werwaarts hij wil. En geene van ons, de wetten, verhindert noch verbiedt iemand uwer, indien wij en de staat hem niet behagen, naar eene van ’s lands volkplantingen te verhuizen, of wanneer hij onder vreemden zich ergens elders wil gaan neêrzetten, met zijne bezittingen daar heen te gaan, werwaarts hij wil. Maar wie uwer blijft, terwijl hij de wijze ziet, op welke wij gedingen beslissen en voor ’t overige den staat regelen;--dan zeggen wij, dat deze inderdaad een verdrag met ons heeft aangegaan, te zullen doen, wat wij ook mogen gebieden; en wie niet gehoorzaamt, dien beweren wij, dat drievoudig misdoet[47]: door niet te gehoorzamen aan ons, die hem in het leven hebben geroepen,--aan ons, die hem hebben opgevoed;--en dat hij, bij verdrag beloofd hebbende zeer zeker te gehoorzamen, noch gehoorzaamt, noch ook tracht ons te overtuigen, indien wij iets verkeerds doen; terwijl wij slechts voorstellen, en niet woest gebieden, te doen, wat wij bevelen, maar van twee het eene laten kiezen: óf ons te overtuigen, óf te gehoorzamen, waarvan hij geen van beide doet.”

Sectie XIV

„Onder deze schuld dan, verklaren wij, zult gij liggen, o Socrates! en niet het minst, maar van alle Atheners het meest, indien gij althans doet, wat gij voor hebt.”

Indien ik dan zeide: „hoe dat dan?” zouden zij met regt mij laken, en zeggen, dat ik een van die Atheners ben, die het nadrukkelijkst dit verdrag heb aangegaan. Zij zouden toch zeggen: „o Socrates! gewigtige bewijzen hebben wij er voor, dat wij u bevielen, wij en de staat. Nooit zoudt gij toch met meer voorkeur dan alle andere Atheners er uw verblijf gehouden hebben, indien hij u niet bij uitnemendheid beviel; en gij zijt nooit, zelfs ter bijwoning van spelen en feesten, uit de stad geweest[48], behalve eens naar den Isthmus; noch ergens elders heen, behalve wegens een’ of ander veldtogt: ook hebt gij geenerlei andere reis gedaan zoo als de andere menschen; ook beving u niet de lust naar een’ anderen staat of naar andere wetten om ze te leeren kennen; maar wij en onze staat waren u genoegzaam: zoo zeer gaaft gij ons de voorkeur, en beloofdet gij, als bij verdrag u volgens ons in den staat te gedragen; dat blijkt onder anderen daaruit, dat gij kinderen in denzelven hebt verwekt, ten bewijze, dat de staat u beviel.--Daarenboven stond het u onder ’t geding zelf vrij, u tot ballingschap te veroordeelen[49], wanneer gij wildet, en, wat gij nu tegen den wil des staats onderneemt, toen met zijne toestemming te doen. Gij hebt u toen wel is waar groot gehouden, als of gij niet bedroefd waart, indien gij moest sterven; maar gij verkoost, zoo als gij zeidet, boven de ballingschap den dood. Nu daarentegen schaamt gij u niet over die beweringen, evenmin als gij u bekreunt om ons, de wetten, die gij tracht te niet te doen, en gij handelt, gelijk de gemeenste slaaf zou doen; daar gij tracht weg te loopen, tegen overeenkomst en verdrag aan, waarnaar gij met ons zijt overeengekomen u in den staat te gedragen. Antwoord in de eerste plaats derhalve hierop, of wij de waarheid zeggen, wanneer wij beweren, dat gij, inderdaad en niet voor de leus, bij verdrag hebt beloofd u als burger aan ons te houden; of is ’t niet waar?” Wat zullen wij hierop zeggen, Crito! Moeten wij ’t niet volstrekt toestemmen?

Crito. Volstrekt, o Socrates!

Socrates. „Overtreedt gij dus niet wezenlijk,” zouden zij zeggen, „de overeenkomsten en de verdragen met ons zelve? hoewel gij die noch uit nood[50] hebt aangegaan, noch omdat gij misleid zijt, noch genoodzaakt binnen een’ korten termijn u te bedenken; zeventig jaren hebt gij voor u gehad, in welke het u vrij stond weg te gaan, indien wij u niet bevielen, en ’t u bleek, dat de verdragen niet billijk waren. Maar gij gaaft noch aan Lacedaemon de voorkeur, noch aan Creta[51], die gij toch telkens wèl geregeld noemt; noch aan een’ der grieksche of vreemde staten; in tegendeel, minder hebt gij u uit denzelven verwijderd dan kreupelen, en blinden en andere verminkten. Zoo uitnemend beviel u klaarblijkelijk, meer dan de overige Atheners, de staat, en wij, de wetten. Wien toch zou een staat bevallen zonder de wetten? Zult gij nu evenwel u niet aan de verdragen houden?--Ja, gij zult het, indien gij ons gehoor geeft, o Socrates! en dan zult gij niet belagchelijk zijn door de stad te verlaten.”

Sectie XV

„Bedenk toch eens, wanneer gij die verdragen overtreedt, en u hierin misgaat, wat voordeel gij zult bewerken voor u zelven, of voor uwe vrienden. Dat deze toch gevaar zullen loopen van zelve verbannen te worden, en verstoken van ’t verblijf in den staat, of hun vermogen te verliezen, dat is ten naastebij klaarblijkelijk. Maar gij zelf in de eerste plaats:--wanneer gij naar eene der naastbijgelegene steden gaat, of naar Thebe of naar Megara--want beide zij wèl geregeld--; dan zult gij, o Socrates! als een vijand van hunne staatsregeling komen, en allen, die ’t belang hunner steden ter harte nemen, zullen u verdenken, daar ze u zullen houden voor een’ vernietiger van de wetten;--en voor de regters zult gij de openbare meening bevestigen, dat ze regtvaardig hebben gevonnisd. Al wie toch de wetten om verre werpt, die moet ook noodwendig doorgaan voor een’ bederver van jonge en onbezonnene menschen.--Zult gij derhalve de wèl ingerigte staten en de zamenleving der braafste menschen vermijden? En zal zoo doende het leven nog iets bekoorlijks voor u behouden?--Of zult gij u bij hen vervoegen, en, onbescheiden genoeg zijn om in gesprek te treden? En waarover, Socrates? over de onderwerpen, die gij hier in den mond hadt, dat deugd en regtvaardigheid de meeste waarde hebben voor de menschen? en wat wettig is, en de wetten? En gelooft gij niet, dat dan de handelwijze van Socrates onedel zal schijnen? Men moet het althans gelooven.

„Maar, uit die plaatsen zult gij u verwijderen en naar Thessalië gaan, naar Crito’s gastvrienden. Daar heerscht namelijk de meeste ordeloosheid en losbandigheid; en denkelijk zouden zij gaarne van u hooren, hoe belagchelijk gij uit de gevangenis waart weggeloopen in eene of andere vermomming; een herderskleed of iets anders, ’t welk wegloopers plegen in het werk te stellen, genomen en zoo uw voorkomen veranderd hebbende.

„Maar dat gij, een oud man, nu gij waarschijnlijk nog slechts weinig tijds te leven hebt, het van u kondt verkrijgen, om, met overtreding der gewigtigste wetten, zoo verkleefd aan het leven te hangen, zal daarover niemand spreken? Misschien niet, wanneer gij niemand krenkt; anders zult gij, o Socrates! veel hooren, en dat uwer onwaardig is: kruipende voor alle menschen zult gij leven als hun slaaf. Wat zult gij in Thessalië anders doen dan smullen? even als of gij om een gastmaal naar Thessalië waart verhuisd.--En uwe redeneringen over regtvaardigheid en de overige deugden, waar zullen die blijven?

„Maar, zult gij zeggen, om mijner kinderen wille wil ik leven, om hen groot te brengen en op te voeden?--Hoe? wilt gij hen naar Thessalië voeren, en hen dáár groot brengen en opvoeden, en hen tot vreemdelingen maken, opdat ze u ook dit te danken hebben?--Of, dit zal nu wel niet plaats hebben: maar zullen zij, hier opgevoed, terwijl gij leeft, beter gevormd en opgeleid worden, hoewel gij niet bij hen zijt? Uwe naaste betrekkingen zullen immers voor hen zorgen!--Of zullen zij, wanneer gij naar Thessalië verhuist, hen verzorgen, maar verhuist gij naar Hades woningen[52], zullen zij hen dan niet verzorgen? Indien zij althans eenige waarde bezitten, die zich uwe vrienden noemen, dan moet men het wel gelooven.”

Sectie XVI

„Neen, Socrates! gehoorzaam ons, uwe voedsters, en acht noch uwe kinderen, noch het leven, noch iets anders, hooger dan ’t geen regt is. Zoo kunt gij, in Hades woningen gekomen, dit alles bij hen, die daar ’t gebied voeren, ter uwer verdediging inbrengen. Want, wanneer gij dat doet, dan is uwe daad, zoo als blijkt, noch hier beter voor u, of regtvaardiger of vromer, evenmin als voor iemand der uwen;--noch zal het, wanneer gij ginder komt, beter voor u zijn. Nu daarentegen gaat gij, indien gij heen gaat, verongelijkt heen, niet door ons, de wetten, maar door de menschen. Gaat gij echter van hier, met eene zoo schandelijke wedervergelding van onregt en boosheid; met overtreding van uwe eigene overeenkomsten en verdragen, met ons aangegaan; als een booswicht jegens welke het allerminst betaamt, u zelven namelijk, en uwe vrienden en ’t vaderland, en ons: dan zullen wij op u vertoornd zijn, zoo lang gij leeft; en ginder zullen onze zusters, de wetten in den Hades, u niet goedgunstig ontvangen, wetende, dat gij hebt beproefd ook ons te vernietigen, voor zoo ver ’t in uwe magt was.

„Laat dus Crito u niet overhalen, om te doen wat hij zegt, maar veeleer wij.”

Sectie XVII

Dit, o lieve vriend Crito! moet gij weten, dat ik meen te hooren, even als wie de ooren suizen[53], fluiten-muzijk meenen te hooren. En in mijn binnenste klinkt de galm dezer taal, en maakt, dat ik geene andere kan hooren. Weet dan, althans, zoo als ik het nu inzie, dat, indien gij iets hier tegen inbrengt, gij het te vergeefs zult zeggen. Spreek niet te min, wanneer gij meent iets meer te weeg te zullen brengen.

Crito. Ach, Socrates! ik weet niets te zeggen.

Socrates. Laat het dan daar, o Crito! en laat ons der goden bevel opvolgen[54].

Droits et provenance

Complete Crito in the 1846 Dutch translation by Michiel Jan Noordewier, with the translator’s historical annotations. The source edition divides the dialogue into seventeen sections; its separate introduction and subscriber list are not included in the reading text. Paired Gutenberg underscores marking italics are omitted from the reading text; the historical spelling is retained. Plato and Noordewier, who died in 1865, are in the public domain in France. Project Gutenberg credits and full licence are preserved in /texts/crito-noordewier-nl-source.txt. Source checked 28 October 2026; legal status may differ outside France.

Historical text: public domain in France. Project Gutenberg source, credits and terms retained.

Consulter l’édition source

Télécharger la source et ses mentions

Rechercher dans la bibliothèque

Commencez par un nom, une question ou une idée.

La recherche porte sur cette édition. Chaque résultat ouvre sa page d’origine.