Crito: Een dialoog van Plato
Text / Übersetzung : Michiel Jan Noordewier (1806–1865) · Ausgabe : 1846
Historische Texte können eine ältere Rechtschreibung oder Wortwahl verwenden. Die ursprüngliche Ausgabe bleibt erhalten; dies ist keine neue Übersetzung.
Quelle und AusgabeThis eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg™ License included with this eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.
Sectie I
(Socrates ligt in een’ diepen slaap; Crito is binnengekomen, en zit zwijgende hem te bewonderen; Socrates ontwaakt.)
Socrates. Waarom zijt gij zoo vroeg gekomen, Crito? Of is ’t niet nog vroeg?
Crito. Ja, wel zeker.
Socrates. Hoe vroeg dan wel?
Crito. ’t Is ’t eerste krieken.
Socrates. ’t Verwondert mij, hoe ’t komt, dat de wachter der gevangenis u heeft willen binnenlaten[1].
Crito. Hij is reeds aan mij gewend, Socrates! omdat ik dikwijls hier kom; en ik heb hem ook reeds wat goeds gedaan.
Socrates. Komt gij zoo even eerst, of zijt gij reeds lang hier?
Crito. Reeds vrij lang.
Socrates. Wel, waarom hebt gij mij dan toch niet terstond gewekt, maar zijt gij zwijgend blijven zitten?
Crito. Ik kon ’t niet van mij verkrijgen uwe rust te storen, Socrates! Ik zou zelf niet gaarne in eene zoo smartelijke slapeloosheid en rouwe willen verkeeren[2]. Bovendien verwonder ik mij reeds lang, daar ik merk, dat gij zoo heerlijk slaapt. En opzettelijk heb ik u niet gewekt, opdat gij zoo zoet mogelijk zoudt sluimeren. Dikwijls heb ik u ook reeds vroeger in uw geheele leven gelukkig geprezen[3] om uwe denk- en handelwijze; maar verre weg het meeste in het tegenwoordig ongeluk, dat gij er zoo zacht en kalm onder zijt.
Socrates. Het zou immers ongerijmd zijn, Crito! en buiten de wijs[4], dat iemand op mijne jaren verdrietig ware, omdat hij reeds moest sterven[5].
Crito. Ook anderen, o, Socrates! treft op deze jaren een dergelijk lot; maar hun leeftijd bevrijdt hen niet van mismoedigheid over de omstandigheid, waarin zij verkeeren.
Socrates. Dat is zoo. Maar--om op mijne vraag terug te komen, waarom zijt gij toch zoo vroeg gekomen?
Crito. Om eene tijding te brengen, Socrates; eene treurige; niet voor u, gelijk mij blijkt, maar voor mij en uwe vrienden alle, treurig en hard; en die mij, dunkt me, het zwaarste van alle moet vallen.
Socrates. Wat is dat dan voor eene tijding? Of is het vaartuig uit Delos[6] aangekomen, na welks terugkeer ik moet sterven?
Crito. Nog is ’t wel niet aangekomen; maar het zal, denk ik, heden komen, naar ’t zeggen van sommigen, die van Sunium[7] gekomen zijn en het daar gelaten hebben. Uit die berigten blijkt het derhalve, dat het van daag zal komen; en dan moet gij morgen reeds, o, Socrates! uw leven eindigen.
Sectie II
Socrates. Nu dan, Crito! heil ons[8]! Indien het zoo den goden behaagt, dan zij het zoo. En toch geloof ik niet, dat het van daag zal komen.
Crito. Waaruit gist gij dat?
Socrates. Dat zal ik u zeggen. Daags na de aankomst van het schip, denk ik, moet ik sterven.
Crito. Zoo zeggen althans die er over te beslissen hebben[9].
Socrates. Toch geloof ik niet, dat het op den nu aanbrekenden dag zal komen, maar op den eerstvolgenden. Ik maak dat op uit een droomgezigt, dat ik zoo even[10] in dezen nacht gehad heb; gij schijnt wèl gedaan te hebben met mij niet te wekken.
Crito. Wat was dat voor een’ droom?
Socrates. Mij dacht, er naderde mij eene vrouw, schoon van gelaat en gestalte, in een hel-wit gewaad[11]; zij riep mij, en zeide: „overmorgen, o Socrates[12]! kunt gij welligt in het vruchtbare Phthia komen.”
Crito. Wat vreemde droom, Socrates!
Socrates. Maar ten minste toch duidelijk, dunkt mij, Crito!
Sectie III
Crito. Al te zeer, zoo ’t schijnt. Maar, o waarde Socrates! luister nu nog[13] naar mij, en laat u redden. Voor mij zal uw dood niet één, niet een enkel ongeluk zijn; maar, behalve het verlies van een’ zoo heerlijk vriend, als ik er geen’ ooit weer zal vinden[14], zal ik daarenboven bij velen, die u en mij niet nader kennen, den schijn hebben, dat ik, hoewel in staat om u te redden, indien ik geld had willen besteden, het had verzuimd. En toch, welke blaam zou wel schandelijker wezen, dan den naam te hebben het geld hooger te achten[15], dan zijne vrienden? Gelooven toch zal de groote hoop het niet, dat gij zelf niet van hier hebt willen gaan, schoon wij het ernstig verlangden.
Socrates. Maar wat gaat ons, mijn beste Crito! zoo zeer de meening van den grooten hoop[16] aan? De verstandigsten toch, aan welke het meer der moeite waard is zich te storen, zullen oordeelen, dat het zoo is geschied, als het geschied is.
Crito. Evenwel ziet gij, Socrates, dat men zich ook aan de meening van den grooten hoop moet storen. Uit de plaats hebbende omstandigheden zelve blijkt het, dat het in de magt is van den grooten hoop, om niet het geringste, maar bijna het ergste kwaad te doen, wanneer men bij hen in kwaden naam is gebragt.
Socrates. Mogt toch, o Crito! de groote hoop in staat zijn, om het ergste kwaad[17] aan te doen, opdat ze aan den anderen kant ook in staat mogten zijn het meeste goed te doen; dan zou het heerlijk staan: nu kunnen ze geen van beide: noch verstandig, noch onverstandig kunnen ze maken; zij doen zoo als ’t valt.
Sectie IV
Crito. Dat moge nu wel zoo zijn; maar zeg mij dit eens, o Socrates! Gij zijt toch voor mij niet bekommerd en voor uwe andere vrienden, dat, wanneer gij hieruit komt, de Sycophanten[18] ons moeite zullen veroorzaken, omdat wij u heimelijk van hier verwijderd hadden;--en dat wij onvermijdelijk óf zelfs ons geheele vermogen, óf eene groote som gelds zullen verliezen, óf nog iets anders bovendien zullen ondergaan? Vreest gij toch iets van dien aard, laat dan die bezorgdheid varen. Het is immers billijk, dat wij voor uwe redding dit gevaar loopen, en, is ’t noodig, nog grooter dan dit. Geloof mij dan, en doe niet anders, dan ik u aanraad.
Socrates. En hierover ben ik bezorgd, Crito! en over vele andere dingen.
Crito. Vrees daarvoor dan toch niet. Want het is niet veel geld, waarvoor sommigen u willen redden en van hier brengen. Daarenboven, ziet gij niet, hoe goedkoop die Sycophanten zijn, en dat er volstrekt niet veel geld voor hen behoeft besteed te worden? Eensdeels staat u mijn geld ten dienste, en dat is, geloof ik, genoegzaam; anderdeels, indien gij, uit bezorgdheid voor mij, van meening zijt, het mijne niet te moeten besteden, dan zijn de vreemdelingen[19] hier bereid, om de onkosten goed te maken. Eén enkele heeft hiertoe geld genoeg verschaft, Simmias van Thebe; gereed is ook Cebes en zeer vele anderen; daarom, zoo als ik zeg, geef[20], uit vreeze hiervoor, uwe redding niet op. Ook moet, ’t gene gij voor ’t gerigt gezegd hebt[21], geen bezwaar voor u zijn, dat gij, in geval gij weggingt, niet zoudt weten, wat met u zelven aan te vangen. Op velerlei plaatsen toch, en waar gij ook elders heen gaat, zal men u gaarne ontvangen.--Wanneer gij naar Thessalië[22] wilt gaan, ik heb daar gastvrienden, die u hoog zullen schatten en voor uwe veiligheid zorgen, zoodat u niemand in Thessalië leed aandoet.
Sectie V
Nog meer, Socrates! Niet eens regtvaardig schijnt mij toe, wat gij onderneemt, u zelven ten verderve over te geven, terwijl gij u kunt redden. En gij maakt er uw werk van, dat u iets overkome, wat uwe vijanden willen bewerken, en reeds bewerkt hebben om u ongelukkig te maken.--Daarenboven schijnt gij mij althans ook uwe eigene zonen[23] prijs te geven, welke gij, terwijl het in uwe magt staat hen te onderhouden en op te voeden, u haast te verlaten; en, voor zoo ver ’t van u afhangt, zal, wat het toeval aanbrengt, hun lot zijn. Overkomen zal hun waarschijnlijk, wat gewoonlijk der weezen lot[24] wordt. Of men moest toch geene kinderen verwekken, óf ten einde toe het leed mede dragen voor hun onderhoud en opvoeding. Maar gij schijnt mij het gemakkelijkste te kiezen. Nu moet wat een braaf en moedig man zou kiezen, de keuze zijn althans van iemand, die juist beweert de deugd zijn gansche leven door ter harte te hebben genomen.--Zoo ben ik én over u, én over ons, uwe vrienden, beschaamd en bezorgd, dat het den schijn zal hebben, als of de geheele zaak met u door zekere lafheid van onze zijde is voorgevallen; en de ingang van ’t geding voor ’t gerigt,--hoe gij zijt opgekomen[25], terwijl ’t u vrij stond niet te verschijnen; en het pleit zelf, zoo als ’t heeft plaats gehad; en dan juist deze uitslag, gelijk eene belagchelijke ontknooping van het stuk, dat het uit zekere lafheid en gebrek aan mannenmoed van onzen kant, zonder dat wij het merkten, zoo schijnt gekomen te zijn, daar wij u niet hebben gered, evenmin als gij u zelven[26], terwijl het mogelijk was en uitvoerbaar, indien wij slechts een weinigje waarde bezaten. Zie derhalve toe, o Socrates, dat dit niet, tegelijk met de schade ook tot schande worde voor u en voor ons; overleg dan, of liever, er is geen tijd meer om te overleggen; het besluit moet reeds genomen zijn. Er is slechts één te nemen: want in den nu volgenden nacht moet alles geschied zijn. Aarzelen wij nog, dan is ’t onmogelijk en ondoenlijk. Daarom, om alles bid ik u, Socrates! luister naar mij en doe niet anders.
Sectie VI
Socrates. Beste Crito! uw goedwillig ijveren is mij veel waard, indien het met de pligtmatigheid is overeen te brengen; zoo niet, dan is het, hoe grooter, ook des te bezwaarlijker[27]. Wij moeten derhalve zien, of wij dit moeten doen of niet. Niet alleen nu toch, maar altijd heb ik het zoo over mij, dat, van al wat mij aangaat, ik aan niets anders gehoor geef, dan aan het inzigt[28], ’t welk mij bij redenering het beste voorkomt. De inzigten dan, welke ik vroeger heb uitgedrukt, kan ik nu niet verbannen, nadat mij dit ongeval is overgekomen; maar zij schijnen mij ten naastebij gelijk; dezelfde inzigten[29] acht en vereer ik, als vroeger. Kunnen wij niets beter voor dezelve zeggen in den tegenwoordigen tijd, wees dan overtuigd, dat ik u volstrekt niet zal toegeven, zelfs dan niet, indien ons, als kinderen, vreesselijker schrikbeelden[30] dan nu door de magt van den grooten hoop worden voorgehouden, die boei en dood en verbeurdverklaring van goederen tegen ons loslaat. En hoe kunnen wij dit het doelmatigste nagaan?[31]
Indien wij eerst diezelfde redenering weer opvatten, die gij te berde brengt, over de meeningen; of de bewering altijd geldig is, of niet[32]: dat men op sommige meeningen acht moet geven, op andere niet; en of, voordat ik sterven moest, dat wel geredeneerd was; maar het nu duidelijk blijkt, dat het zoo maar heen, om den schijn werd gezegd, maar inderdaad kinderachtige beuzelpraat was.
Ik wensch dan, Crito! gemeenschappelijk met u na te gaan, of dat inzigt mij, in mijne tegenwoordige omstandigheden, eenigzins anders zal voorkomen, en of ’t hetzelfde is gebleven: dan zullen wij het laten varen, of dien overeenkomstig handelen.
Telkens kwam, geloof ik, de redenering van hen, die meenden iets te zeggen, neer op ’t gene ik reeds zeide: dat van de meeningen, welke de menschen zich vormen, men sommige hoog moet schatten en andere niet. Schijnt u, bij de goden! dit beweerde, o Crito! gegrond? Gij zijt toch, menschelijker wijze gesproken, buiten het gevaar van morgen te sterven, en u kan het tegenwoordige ongeval niet misleiden. Onderzoek het dan: dunkt u niet, dat men te regt beweert, niet alle meeningen der menschen te moeten ontzien; maar sommige wel, en andere niet? en ook niet van alle menschen, maar van sommige wel, en van andere niet? Wat zegt gij? Beweert men dit niet te regt?
Crito. Ja, te regt.
Socrates. Derhalve, de verstandige meeningen moet men ontzien, en de verkeerde niet?
Crito. Wel zeker.
Socrates. Verstandige meeningen, zijn dat niet die van verstandige menschen? en de verkeerde die van onverstandigen?
Crito. Hoe kan dat anders zijn?
Sectie VII
Socrates. Welaan dan: in welken zin werd dit beweerd? Een man, die zich ernstig op ligchaamsoefeningen[33] toelegt, zal die letten op ieders lof of blaam of meening, of slechts van dien éénen, die den leefregel voorschrijft of opziener is bij die oefeningen, of wie hij zijn mag?
Crito. Van den éénen slechts.
Socrates. Derhalve: vreezen moet hij den blaam, en streven naar den lof van dien éénen, en niet van den grooten hoop?
Crito. Dat is duidelijk.
Socrates. Zoo moet hij derhalve handelen en zich oefenen, en eten en drinken, als het die ééne eischt, de opziener en deskundige, meer dan gelijk alle anderen te zamen het wenschen?
Crito. Dat is waar.
Socrates. Dat houden we dus voor uitgemaakt. Maar--is hij ongehoorzaam aan den éénen, en versmaadt hij diens inzigt en lofspraak, en ontziet hij die der menigte, welke er geene kennis van heeft, zal hem er dan geen kwaad van overkomen?
Crito. Hoe kan dat anders?
Socrates. Wat is dat voor een kwaad? en waarop heeft het betrekking, en waaraan zal het zigtbaar worden bij hem, die ongehoorzaam is?
Crito. Natuurlijk aan zijn ligchaam; want dit verwoest hij.
Socrates. Wel gesproken. Zoo gaat het dan eveneens met het overige, om niet alles te doorloopen. En met name ook ten opzigte van regt en onregt, van schande en eer, van goed en kwaad, waarover wij nu beraadslagen;--moeten wij daarin de meening van den grooten hoop volgen en ze vreezen, of die des Eenen[34], indien er een kenner bestaat, welken wij en eerbiedigen en vreezen moeten, meer dan alle anderen te zamen?--door welken niet te gehoorzamen wij datgene zullen verderven en verlagen, ’t welk door regtvaardigheid beter werd en door onregt verloren ging? Of bestaat er niets zoodanigs?
Crito. Ik geloof ja, Socrates!
Sectie VIII
Socrates. Wel nu, indien wij ’t gene door gezondheid beter wordt en door ziekte vergaat, indien we dat verwoesten, door gehoor te geven niet aan de meening van deskundigen, maar aan die van onverstandigen; heeft het leven dan wel iets aanlokkelijks voor ons, wanneer dat is verwoest? En is dat welligt het ligchaam of niet?
Crito. Wel zeker.
Socrates. Heeft dan het leven met een ellendig en verwoest ligchaam nog iets bekoorlijks?[35]
Crito. Geenszins.
Socrates. Maar hebben wij wel genot van ’t leven, wanneer datgene bedorven is, ’t welk door onregt benadeeld, door regtvaardigheid bevoordeeld wordt? Of houden wij, welk deel van ons wezen ’t ook zijn moge, dat met regt en onregt in betrekking staat, voor geringer dan het ligchaam?
Rechte und Herkunft
Complete Crito in the 1846 Dutch translation by Michiel Jan Noordewier, with the translator’s historical annotations. The source edition divides the dialogue into seventeen sections; its separate introduction and subscriber list are not included in the reading text. Paired Gutenberg underscores marking italics are omitted from the reading text; the historical spelling is retained. Plato and Noordewier, who died in 1865, are in the public domain in France. Project Gutenberg credits and full licence are preserved in /texts/crito-noordewier-nl-source.txt. Source checked 28 October 2026; legal status may differ outside France.
Historical text: public domain in France. Project Gutenberg source, credits and terms retained.
Quellausgabe ansehen