Crito: Een dialoog van Plato
- Langue du texte
- néerlandais
- Texte / traduction
- Michiel Jan Noordewier (1806–1865)
- Édition
- 1846
Ces textes historiques peuvent employer une orthographe ou un vocabulaire anciens. L’édition d’origine est conservée : il ne s’agit pas d’une nouvelle traduction. Source et édition
Aanteekeningen (suite)
[Voetnoot 7: Sunium, een voorgebergte van Attica, thans Cabo di Colonna. Het had op de kruin een’ tempel van Minerva, en onder aan de kust eene haven. Ook stond hier een kasteel, ’t welk door opgestane slaven een’ tijd lang werd bezet gehouden, die Attica plunderden. (Athenaeus).]
[Voetnoot 8: Heil ons! De oorspronkelijke uitdrukking gebruikten de Grieken veel in den zin van een goed voorteeken. Zoo min vreest Socrates den dood, dat hij, bij de tijding, dat hij ze moet ondergaan, het sterven als een wenschelijk goed beschouwt. De volgende woorden: zoo het den goden enz., heeft Epictetus overgenomen onder de spreuken, waarmede hij zijn Handboek besluit.]
[Voetnoot 9: Die er over te beslissen hebben. Crito beaamt hiermede het gezegde van Socrates niet, dewijl hij nog steeds de stille hope koestert, hem te zullen redden: zoo zeggen althans, die ... Voor het overige worden hier bedoeld de Elfmannen, die te Athene het opzigt hadden over alle gevangenen. ’t Is misschien niet onbelangrijk bij dit ligchaam eenigzins langer stil te staan.
Hoogelijk werd te Athene de onschendbaarheid der burgers geëerbiedigd: lijfsdwang werd alleen jegens slaven voor oirbaar gehouden, zoodat het openbaar eergevoel iemand, tegen wien het aangewend was, niet meer als een’ burger van gelijken stand beschouwde. De raad moest--dewijl atimie, met onze eerloosverklaring te vergelijken, het lot werd van den eens tot gevangenis veroordeelde--zweren, geen’ burger in boeijen te zullen slaan, behalve wie iets tegen den staat misdeed.
Spoedig regt vereischten intusschen de zaken van koophandel; eveneens tegen allerlei woekeraars. Buitendien moest de gevangenisstraf wel toegepast worden tegen misdrijven, die ’t algemeene belang en de openbare veiligheid in gevaar schenen te brengen: ieder burger mogt dan ook als wreker van de geschonden regten des staats optreden, waarbij persoonlijke vijandschap dikwijls hare rekening vond, en de Elfmannen drukke bezigheid. Het gevangenzetten, waarbij de beschuldigde geboeid werd, diende òf tot straf, òf tot waarborg tegen veroordeelden, heen ter tijde aan het vonnis voldaan, en tegen beschuldigden, totdat hunne zaak zou uitgemaakt zijn. Maar bijna altijd kon de veroordeelde met eene geldboete vrij, die men, om de atimie te ontgaan, liever betaalde. Ter verzwaring echter der boete werd ook de gevangenisstraf toegepast, vooral tegen schuldenaren van den staat; zij bleven geboeid, totdat de schuld was voldaan.
Het beheer eener zoodanige inrigting met hare velerhande ondergeschikte bedienden vereischte reeds veel werkzaamheid. Gewigtiger evenwel was de taak der Elfmannen, jegens de gevangenen zelve te vervullen. Deze waren geheel in hunne magt gegeven, in zeker opzigt hunne slaven. Zij waren voor hen verantwoordelijk. Waarschijnlijk hielden zij aanteekening van wie gevangen geweest was, dewijl anders diens atimie met der tijd onbewijsbaar kon worden.--Aan den ter dood veroordeelde lieten zij zoo spoedig mogelijk het vonnis voltrekken, behalve wanneer de wet den tijd bepaalde, of godsdienstige gebruiken het verhinderden. De vorm bragt mede, dat zij telkens in persoon den veroordeelde van de overheden overnamen, en hem naar de gevangenis geleidden. Nu beheerschten zij hem geheel en al; of hij al dan niet in bijzijn van vriend of maag zou sterven, hing van hen af. Was de dag bepaald, dan begaven zij zich tot den veroordeelde, namen hem de boeijen af, en zeiden hem den dood aan.
De oprigting van het ligchaam der Elfmannen, zoo als wij het gedurende den bloei der democratie te Athene kennen, schijnt te vallen in den tijd van Aristides en Themistocles, en geduurd te hebben tot kort na den dood van Alexander den Groote. Zij werden bij ’t lot gekozen, één uit iederen stam; een elfde werd hun--als secretaris, zouden wij zeggen--toegevoegd. Vóór de aanvaarding van hun ambt moesten zij een onderzoek ondergaan, en na de aftreding rekenschap afleggen. Zeer waarschijnlijk ontvingen zij eene aanzienlijke jaarwedde.]
[Voetnoot 10: Een droomgezigt,--zoo even in dezen nacht ... Reeds bij Homerus wordt aan de droomen een voorspellend gewigt gehecht: „ook de droom toch komt van Zeus!”--Bekend is ’t, hoe een droom, van Zeus gezonden, Agamemnon misleidt; en hoe een ander, op last van Athene, Penelope moed inspreekt. Ook de treurspeldichters spreken van droomen, als niet zonder voorbeduidende kracht. Bedenkt men nu, hoe zeer de beschaafde Griek vertrouwd was met zijne helden- en treurspeldichters, dan bevreemdt ons de droom van Socrates en zijne gedachte daarover niet; om niet te spreken van den bijzonderen toestand, waarin de edele man zich bevindt.
Een droomgezigt, zoo even ... De Ouden hielden de droomen na middernacht voor de belangrijkste; en niet zonder psychologischen grond; de droomen in den voornacht betreffen meest ’t gene de ziel gedurende den dag heeft bezig gehouden; daarom hielden zij meer die na middernacht voor goddelijke ingeving en onthulling der toekomst.]
[Voetnoot 11: In een hel-wit gewaad ... Droomgestalten werden voor goddelijk gehouden: daarom dacht men ze schooner, grooter en verhevener dan den mensch, en in blinkend witte kleederen. Zoo ook de bijbelsche verschijningen.]
[Voetnoot 12: Overmorgen, o Socrates! ... Woorden van Achilles, die, door Agamemnon beleedigd, van Troje naar huis terug wil keeren. „Indien mij welligt,” zegt hij tot Ulysses, de doorluchtige aardschudder, „Poseidon eene gelukkige vaart wil verleenen, dan kan ik in drie dagen het vruchtbare Phthia bereiken,” d. i. zijn vaderland. Socrates verstaat onder Phthia de woonplaats der ziel na hare slaking uit den kerker des stofs, de oorden, die des menschen eigenlijk vaderland zijn.
„Bevreemdend is het,” zegt Nüsslin ter dezer plaatse, „dat geen uitlegger er op let, hoe de jeugdige heldengestalte van Achilles, die uit vrije keuze een kort, maar roemvol leven verkoos boven een lang leven vol genietingen, Socrates hier voor oogen zweeft, en hem als tot gelijke gezindheid bezielt. Dit is immers het troostrijke in ’t ontzagchelijke treurspel der geschiedenis, dat de menschen niet alleen bij elkander zijn, wanneer zij ’t zijn, dat ook de van ons verwijderde, de overledene voor ons leeft, en zijn leven en sterven ons ten spiegel wordt, waarin wij ons gaarne beschouwen.”--Socrates zelf zegt in zijne Verdediging: „men zou kunnen zeggen: „„bloost gij niet, Socrates! over de keuze van een bedrijf, waardoor gij nu gevaar loopt van te sterven?”” „Met grond zou ik antwoorden: niet schoon is dat gesproken, man! indien gij meent, dat een man, die nog een weinig waarde bezit, het gevaar van leven of sterven in aanmerking moet nemen. Niet daarop alleen moet men zien, wat men onderneemt, maar of men iets regtvaardigs doet, of het tegendeel; het werk van een’ braaf, of van een’ slecht mensch. Laag zouden, naar uwe redenering, de halve goden zijn, die bij Troja sneuvelden, ook Thetis’ zoon; en die verachtte zoo zeer het gevaar, in vergelijking van eene schandelijke handelwijze, dat,--toen hij wenschte Hector te dooden, en zijne moeder, eene godin, hem zoo ongeveer, geloof ik, toesprak: „„mijn zoon, wreekt gij den dood van uwen vriend Patroclus, en doodt gij Hector, dan zult gij sterven; (want terstond na Hector is uw sterflot bepaald)””--„hij dood en gevaar verachtte.----„„Terstond,”” zeide hij, „„zou ik willen sterven, na den onverlaat te hebben doen boeten, opdat ik niet hier blijf, bij de hooge stevens der schepen, om uitgelagchen te worden, als een nutteloos pak der aarde.””]
[Voetnoot 13: Luister nu nog naar mij ... Derhalve had Crito vroeger reeds vruchteloos getracht, Socrates over te halen, om zich door de vlugt te redden.]
[Voetnoot 14: Er geen’ ooit weer zal vinden ... Cicero had deze plaats voor oogen in zijn werkje over de Vriendschap, waar hij Laelius over Scipio laat zeggen: „het doet mij aan, dat ik van een’ zoo heerlijk vriend beroofd ben, als, naar mijn oordeel, er niemand ooit weer zal bestaan.”]
[Voetnoot 15: Het geld hooger te achten ... „Niemand zou,” zegt Demosthenes in zijne redevoering over den Vrede, „kunnen zeggen, dat mijne handelingen als staatsman eenige winst bedoelen. En daarom toont zich mij zuiver en gelijk het is, het belang van den staat, ’t welk immer uit de zaken voortvloeit. Maar, wanneer men aan de andere zijde, als op eene schaal, er geld bijlegt, dan slaat het op eens door, en trekt de bewijsgronden mede naar beneden; en wie dit doet, kan niet meer, noch iets waars, noch iets gezonds meer denken, over geene enkele zaak.”]
[Voetnoot 16: Den grooten hoop ... „Die tallooze, oneenige, oproerige menigte, nooit zich zelve magtig, met gelijke onberadenheid gereed tot eigen of tot eens anders ongeluk,”--zegt Seneca--is door vele ouden naar waarde gegispt.--„Wie zou zich gelukkig gevoelen,” zegt Plato ergens, „met te leven naar den grooten hoop, om te worden toegejuicht en gevierd, als een speelbal van ’t volk geslingerd, uitgefloten, gestraft, gedood en beklaagd?”--„Vraagt mij (Horatius) het volk, waarom ik niet zoek of mijd, wat het zelf bemint of haat; dan wil ik antwoorden, gelijk eertijds de sluwe vos den zieken leeuw: „„omdat ik schrik van de voetstappen, alle naar u toe gerigt, en geene terug. Gij zijt een veelkoppig monster: waaraan toch zal ik mij houden, of aan wien?””]
[Voetnoot 17: Het ergste kwaad ... Er is volgens Plato slechts één kwaad: gebrek aan inzigt, en slechts één goed: verstand. Ten bewijze een paar plaatsen van de door Nüsslin verzamelde: „waarin iemand verstandig is, daarin is hij goed; waarin iemand onverstandig is, daarin is hij slecht.--Alle pogen en volharden der ziel, door verstand bestuurd, brengt zegen; met onverstand het tegendeel.”--Met Plato houden voorzeker de onbekrompen-verlichte onder onze landgenooten gebrek aan inzigt voor het hoogste kwaad; want inderdaad, de mensch wil wel het goede, zoodra hij slechts vastelijk overtuigd is, dat het wezenlijk goed is. Eene ware stelling! maar die door sommige ook welmeenende Christenen niet wordt toegegeven!]
[Voetnoot 18: Sycophanten ... eigenlijk: vijgenaangevers, verklikkers van wie vijgen uitvoert, ’t welk in Attica verboden was. (Athenaeus.) In ’t algemeen: wie valsche geruchten van anderen verbreidt, en anderen tegen elkander ophitst, of uit winzucht anderen aanklaagt, chicaneur. Festus geeft eene andere verklaring. Zie ook C. Sigon. de republ. Athen., en Suidas.]
[Voetnoot 19: De vreemdelingen ... Om niemand te Athene aan eenig gevaar bloot te stellen van beschuldigd te worden Socrates uit de gevangenis te hebben willen ontvoeren, vermeldt Plato hier alleen vreemdelingen. Crito zelf was door zijne positie en zijn’ ouderdom het meest tegen onaangename gevolgen beveiligd, en is denkelijk kort na Socrates overleden. Cebes, die hier genoemd wordt, heet doorgaans, maar zonder genoegzamen grond, de schrijver te zijn van eene zedekundige verhandeling: de Schilderij. Wie evenwel de schrijver moge zijn, men vindt er den hoogen ernst en de warmte van Socrates.
Simmias van Thebe, gelijk ook Cebes, waren beide leerlingen van Critolaus, een beroemd Pythagoreër, en beide warme vrienden van Socrates.
Onder de hier vermelden kunnen ook behoord hebben: Phaedondes, eveneens van Thebe, en Euclides van Megara, niet met den alexandrijner te verwarren; en Terpsion; en Echecrates van Phlius, in Sicyonië; en Phaedo, uit Elis.]
[Voetnoot 20: Geef--uwe redding niet op ... Wel weet Crito, hoe Socrates over het sterven denkt; maar in zijne warme vriendschap denkt hij, al te overijld, dat de liefde tot het leven, die al wat leeft, is aangeboren, zich ook nog bij Socrates krachtig doet gelden.]
[Voetnoot 21: ’t Gene gij voor ’t gerigt gezegd hebt ... „Zou ik”--dit was, volgens Plato, zijne taal--„mij verbanning waardig keuren? Daarmede zoudt gij welligt genoegen nemen. Maar veel liefde zou ik voor het leven moeten hebben, o Atheners! indien ik zoo onverstandig ware, om niet te kunnen berekenen, dat gij, mijne medeburgers, mijne leefwijze en mijne taal niet kondt verdragen, maar ze u bezwaarlijk en hatelijk zijn geworden, zoodat gij tracht er af te komen; en zullen voorwaar anderen ze gemakkelijk dulden? Verre van daar, o atheensche mannen! Een heerlijk leven zou het derhalve voor mij zijn, wanneer ik, zoo bejaard, uit de stad ging, om, telkens verjaagd, de eene stad met de andere te verwisselen. Want ik weet vast, dat, waar ik kom, de jongere menschen naar mijne taal zullen hooren, gelijk hier. En wijs ik hen van de hand, dan zullen zij mij verdrijven en de ouderen daartoe overreden.”]
[Voetnoot 22: Naar Thessalië ... Onbedachtzaam noemt Crito juist Thessalië. Zie hoofdstuk 15. Dat land stond in kwaad geruchte, als het land van sluwe list en bedrog en ongebondenheid, waarvan J. C. Scaliger een voorbeeld aanhaalt. Bij Athenaeus hebben zij altijd honger; hunne vraatzucht wordt bij wijze van spreekwoord aangehaald. Zij zouden de Perzen, even weelderig als zij zelve, naar Griekenland hebben uitgenoodigd; en later door Philippus met gastmalen zijn gewonnen. Xenophon schrijft de verdorvenheid van Critias, het hoofd der dertig tirannen, mede toe aan zijn verblijf als balling in Thessalië. Ten tijde van Horatius was het berucht wegens zijne giftmengers en toovenaars.]
[Voetnoot 23: Uwe zonen ... Men vindt er drie vermeld: Lamprocles, Sophroniscus en Menexenus, de twee laatste verwekt bij Myrto, de dochter van Aristides den regtvaardige.--Zoo lang men de beantwoording van Crito’s bedenkingen door Socrates niet heeft gehoord, weet men niet, wat deze zal aanvoeren tegen ’t gene hier zoo roerend en met zoo veel aandrang wordt bijgebragt, om Socrates’ vaderlijk gevoel te schokken, en om zijne eigenliefde in beweging te brengen. Crito’s al te dringende, bijna onbescheidene taal vindt hare verontschuldiging in zijne warme vriendschap en zijn vurig verlangen om Socrates te redden.]
[Voetnoot 24: Der weezen lot ... „De dag, die ’t kind tot een wees maakt, berooft hem van al zijne speelgenooten; overal slaat hij de oogen neder; tranen biggelen langs zijne wangen. In zijne behoefte gaat het kind naar zijns vaders vrienden, en trekt hen bij het kleed; van diegene onder hen, die medelijden met hem hebben, reikt hem iemand een’ kleinen beker; en zoo bevochtigt hij wel zijne lippen, maar niet zijn gehemelte. De knaap, wiens beide ouders nog in leven zijn, jaagt hem van het gastmaal, en slaat hem, en graauwt hem toe: „„ga zoo heen! uw vader eet immers niet met ons!”” (Homerus.)]
[Voetnoot 25: Voor ’t gerigt--zijt opgekomen ... Forster, bij Buttmann aangehaald, zegt, dat hier misschien bedoeld wordt eene wet bij Lysias vermeld: „dat het den beklaagde, die zijne zaak wantrouwde, vrijstond, zich door de vlugt aan de gevolgen van derzelver behandeling te onttrekken.” Of men moet het op Anytos toepassen, die, volgens Libanius, in zijne Verdediging van Socrates, na de door hem ingestelde beschuldiging, met den beklaagde zich wilde verzoenen. Maar dit is zeer twijfelachtig; waar is het, dat, wanneer partijen, vóór de beslissing van het pleit, zich met elkander verzoenden, in verschillende gevallen de zaak werd bijgelegd. De aanklager had dan duizend drachmen boete te betalen. (Wachsmuth, II, 1, 285.)
In het volgende wordt de loop van het regtsgeding vergeleken met de drie hoofddeelen van een drama: het verschijnen voor ’t gerigt met de inleiding en de opgave van ’t onderwerp;--het voeren van ’t geding met de handeling en hare verwikkelingen;--en de uitspraak van het vonnis met de ontknooping. Wat Crito laakt, is het verschijnen van Socrates voor den regter; wat hem grieft, is de uitslag van het treurspel, dien hij aan gebrek aan inzigt bij hem zelven en zijne vrienden toeschrijft.]
[Voetnoot 26: Even min als gij u zelven ... Dit bijvoegsel verwacht men hier niet bij Crito’s klagen over de achteloosheid en lafheid van de vrienden van Socrates, en niet van Socrates zelven. Maar als onwillekeurig ontsnapt hem daarbij eene ligte berisping tegen den leermeester zelven; dat komt voort uit eene edele verontwaardiging, dat Socrates niet is gered, en zich nu niet wil laten redden.]
[Voetnoot 27: Des te bezwaarlijker ... Volgens Leo is de meening van Socrates: „des te minder kan ik uwe zorg goedkeuren en er gebruik van maken,” in tegenstelling met: „uw ijveren is mij veel waard, dewijl het als lofwaardig zeer aannemelijk is.”--Ons schijnt Socrates toe te willen zeggen: „de aandrang, met welken gij mij tot de vlugt aanspoort, ontroert mij als een blijk uwer warme liefde; en uit onwillekeurigen afkeer van den dood, die in ieder schepsel leeft, zou ik uwe voorslagen gehoor geven, indien slechts mijn pligt het toelaat: maar zoo niet, dan kost het mij én om uwe liefde, én om dien afkeer, slechts te meer moeite, uwen aandrang te weerstaan en standvastig te blijven sterven.”]
[Voetnoot 28: Aan niets anders gehoor geef, dan aan het inzigt ... „Want,” zegt Socrates elders bij Plato, „de man, voor wien al wat tot geluk voert, alleen van hem zelven afhangt, voor wien het niet, verknocht aan voor- of tegenspoed, van anderen noodwendig afhankelijk wordt en geheel onzeker; die man heeft zich den besten levensweg bereid: die is de zelfstandige, de dappere, de wijze; dien zal men, bij ’t verwerven of verliezen van kinderen, of van geld en goed, zich noch te zeer zien verblijden noch bedroeven, dewijl hij al zijne hoop stelt op zich zelven.”--„En die zelfstandige man,” zegt Epictetus, „was Socrates, die van al wat hem voorkwam, op niets anders lette dan op de rede, d. i. op zijne heilige, innige overtuiging van pligt.”]
[Voetnoot 29: Dezelfde inzigten ... Namelijk over burgerpligt en verachting van den dood.]
[Voetnoot 30: Schrikbeelden ... De oorspronkelijke uitdrukking beteekent: „een kind met zekere gebaren en onder het uitspreken van het woord Mormo bang maken; dan: iemand bang maken door schrikbeelden, en in ’t algemeen: iemand (een’ meest ongegronden) schrik aanjagen.”]
[Voetnoot 31: Hoe kunnen wij ... Buttmann, Leo en de meeste andere uitleggers leggen Crito deze vraag in den mond. Wij volgden Stallbaum: de rede wordt er te vuriger door.]
[Voetnoot 32: Of de bewering altijd geldig is, of niet ... Namelijk of niet geldig. Drievoudig is de vraag: 1º. of de bewering gegrond is; 2º. of ze ongegrond is; 3º. of ze vroeger gegrond was, maar nu niet meer. (Buttmann.)]
[Voetnoot 33: Zich ernstig op ligchaamsoefeningen toelegt ... Bekend is ’t, hoe veel werk de Grieken van deze oefeningen maakten, hoe hunne nationale feesten voor een gewigtig deel in dezelve bestonden, en haar zoo een bijzonder gewigt bijzetten in de oogen des volks. Levendig begrepen zij, hoe veel de gezondheid en de volledige ontwikkeling van de kracht des ligchaams toebrengt tot die der ziel. Verg. aant. 53.]
[Voetnoot 34: Die des Eenen ... „’t Is duidelijk,” zegt Nüsslin ter dezer plaatse, „dat Socrates hier God meent.” Eenige plaatsen bij Plato, die hij ten bewijze aanvoert, laten wij hier volgen:
„Een is wijzer dan alle; die alleen is de maatstaf.--God zij onze regel in alles, meer dan eenig mensch.--Niemand is wijs, dan (de) God; de menschelijke wijsheid is weinig waard; en onder de menschen is hij de wijsste, die dit met Socrates heeft ingezien.--Men moet Gode zoo veel mogelijk gelijkvormig worden; die gelijkvormigheid bestaat in verstandig, braaf en vroom te zijn.--Twee voorbeelden hebben wij: het goddelijke, dat van het hoogste geluk; het niet-goddelijke, dat der rampzaligheid.”]
[Voetnoot 35: Heeft--het leven--iets bekoorlijks? ... Men wane niet--zoo als bij eenzijdige gevolgtrekking welligt het geval zou kunnen zijn,--dat Socrates hier zijlings den zelfmoord verdedigt. In tegendeel: volgens hem staat ieder mensch hier op eenen post, hem door God aangewezen, en dien hij zonder het hoogst bevel niet mag verlaten.]
[Voetnoot 36: (Wij houden) dus (de ziel) voor kostelijker. „Onder alles, wat wij hebben,” zegt Socrates elders, „is naast God onze ziel het goddelijkste.” En: „hoe veel geringer een ongeluk is het met een ziekelijk ligchaam te leven, dan met eene bedorvene, onheilige ziel!” Meer gelijkluidende plaatsen heeft Nüsslin bijeengebragt.]
[Voetnoot 37: De vorige ... „De redenering, welke wij hebben doorgeloopen,” namelijk over ’t oordeel van den grooten hoop, „schijnt nog dezelfde,” verschilt niets van die, welke wij vroeger hebben uiteengezet, toen ik nog niet was aangeklaagd. Hierop schijnen de woorden de vorige te doelen. Anderen vatten de plaats anders op.]
[Voetnoot 38: Niet tegen mijnen zin ... De edele vriendschap, met welke gij mij herhaaldelijk aanraadt te vlugten, acht ik alleszins hoog; maar, daar ik mij door geen’ invloed van buiten laat leiden, moet gij toch mijn inzigt behoorlijk laten gelden.]
[Voetnoot 39: Wie onregt lijdt, het weerom doen ... Nüsslin trekt uit deze plaats, waarbij hij ettelijke anderen voegt, het gevolg, dat men te overijld den Ouden alle begrip van liefde jegens vijanden heeft ontzegd; en dat in de meeste plaatsen hunner schriften, waar haat jegens vijanden wordt gebillijkt, de vijand in den oorlog wordt bedoeld.--Alle begrip ... dit is te veel gezegd; maar alleen Socrates en de zijnen stonden met enkele edelen hooger dan de groote hoop; en Socrates zelf is in zijne Verdediging zoo schamper, zijne taal zoo vernederend voor regters en tegenpartij, dat daarbij het denken aan wraak natuurlijk bij u opkomt. Buitendien moet men niet vergeten, hoe weinig algemeenen invloed bij de Ouden de wijsgeerige school had op de praktiek des levens. (Verg. onze inleiding.) Deze spreekt veeleer bij de dramatische dichters: het tooneel en het leven der Ouden stond in veel naauwer verband dan bij ons. En uit deze blijkt, dat wraak bij de Ouden niet alleen geoorloofd was, maar zelfs eene zaak van eer. „Eene groote zaak versta ik,” zegt Archilochus, „hem, die mij kwaad gedaan heeft, met vreesselijk kwaad te vergelden.” Dat bij ’t volk wraak de leuze was, blijkt eveneens uit vele plaatsen bij de treurspeldichters; in ’t algemeen eischten de Grieken van den man in staat te zijn om zijn vaderland nuttig, zijn’ vijand geducht te zijn. Zij kennen den man, den burger; aan het goddelijke Christendom was en blijft het voorbehouden den mensch te leeren zegenen, wie hem vloekt.]
[Voetnoot 40: Beloofd, omdat het regtvaardig was ... Het niet nakomen van eene vrijwillige belofte berokkende--bij de Romeinen althans--in zekere mate eerloosheid.]
[Voetnoot 41: En de wetten -- -- vroegen ... Dit welsprekend leenen van ziel en spraak aan iets onbezields is meermalen nagevolgd. Bij Buttmann vindt men eene dergelijke plaats aangehaald uit de: „Oeuvres de Frédéric II, publiées du vivant de l’auteur.”]
[Voetnoot 42: Tot het verdrag tusschen ons en u ... Leo gelooft, dat Socrates hier ook bedoelt: den eed, dien de atheensche burgers moesten afleggen, van dezen inhoud: „aan de wetten, die vastgesteld worden, zal ik gehoorzamen, en aan alle andere, welke het volk met gemeen overleg zal vaststellen;--en indien iemand de wetten vernietigt, of ze niet gehoorzaamt, dat zal ik niet toelaten, maar tegengaan, zoo wel alleen, als met allen.”]
[Voetnoot 43: Muzijk en gymnastiek ... Volledige ontwikkeling naar ziel en ligchaam. Gelijk namelijk bij ons de gymnastiek in ruimen zin de beoefening bevat van al wat het ligchaam kracht, vlugheid en bevalligheid kan bijzetten; zoo verstonden de Grieken onder muzijk--der Muzen wetenschap--de schoone wetenschappen, poëzij, welsprekendheid, wijsbegeerte, de eigenlijke muzijk; in één woord, al wat den smaak voor ’t schoone ontwikkelt en de ziel veredelt. Tot eene opvoeding, die wij fatsoenlijk zouden noemen, behoorden: letterkunde in ruimen zin, muzijk en gymnastiek. Wie b. v. niet in eigenlijke muzijk ervaren was, werd niet voor een’ beschaafd man gehouden.
Protagoras schildert de opvoeding der atheensche jeugd aldus: „Van de teerste kindschheid af aan, zoo lang de naaste betrekkingen leven, onderwijzen en vermanen zij het kind. Zoodra het, wat er gezegd wordt, kan begrijpen, doen de minne en de moeder en de oppasser en de vader zelf hun best, dat het kind zoo goed mogelijk worde, en onderrigten hem bij ieder woord of daad, en toonen hem, dat het eene regtvaardig, het andere onregtvaardig is, en schoon of niet, en vroom of goddeloos; en dat hij het eene doe, het andere niet. En gehoorzaamt hij vrijwillig, dan is ’t wèl; zoo niet, dan brengen ze hem, als een kromgegroeid rijsje, teregt door dreigen en slaan. Daarna zenden zij hem naar school, en drukken het den meester veel meer op het hart, om te zorgen voor de zedigheid der kinderen, dan voor hun lezen en hun spelen op de lier. De meesters zorgen hiervoor; en wanneer zij dan het lezen geleerd hebben, en weldra het geschrevene zullen verstaan, gelijk vroeger den toon, dan geven zij hun op de banken de werken van voortreffelijke dichters te lezen, en laten ze hen van buiten leeren, welke vele teregtwijzingen bevatten, en vele verhalen van de deugden van de mannen van ouds, die ze roemen en verheffen; opdat de knaap naijverig hen navolge, en trachte even zoo voortreffelijk te worden. De muzijkmeesters dragen eveneens op dergelijke wijze zorg voor zedigheid, en dat de knapen geen kwaad doen; daarenboven, wanneer zij geleerd hebben de lier te bespelen, leeren zij hun weder gedichten van andere dichters, van lierdichters, die ze op muzijk brengen; en zij dwingen maat en harmonie in de ziel der knapen, opdat zij zachter worden, en, meer aan maat en regel gewend, geschikt voor woord en daad. Want het geheele leven van den mensch behoeft maat en gepasten toon.--Dan zendt men hen nog naar den meester in ligchaamsoefeningen, opdat zij met een beter ontwikkeld ligchaam, ook eene edele denkwijze kunnen opvolgen, en niet genoodzaakt worden lafhartig te handelen wegens gemis aan ligchamelijke kracht en vlugheid en in oorlog en in andere bedrijven. Dit doen de meest vermogenden, wier kinderen het vroegst en het langst de scholen bezoeken.”
Dus: huisselijke opvoeding;--lezen en de beginselen der muzijk, dichtstukken van buiten leeren;--eigenlijke muzijk en lierdicht;--ligchaamsoefeningen; terwijl overal orde en zedigheid streng werd geëischt; dit was, naar Solons instellingen, de gang der voorbereidende vorming der jeugd. Wat wij nog meer hebben genoemd, leerde de verder gevorderde jongeling van mannen als Protagoras en anderen.]
[Voetnoot 44: Lijfeigene ... zoo als Demaratus tot koning Xerxes zeide: „Vrij zijn de Spartanen, maar toch niet geheel; want over hen heerscht de wet, aan welke zij meer dan de uwen aan u gehoorzamen.”]
[Voetnoot 45: Geweld te gebruiken ... Niet alleen dit was snood; maar de zoon, die zijne ouders den verschuldigden eerbied niet betoonde, werd van alle ambten uitgesloten.]
[Voetnoot 46: Burger is geworden ... De jonge Athener, die ’t volledig burgerregt verlangde, werd opgeteekend in de kieslijst; maar eerst moest hij een onderzoek ondergaan over afkomst, wettige geboorte, in één woord over ’t gene als vereischte voor het burgerregt werd aangemerkt. (Stallbaum, Buttmann, Schleiermacher.--Maar Leo volgt eene andere lezing, die volgens St. slechts in een hdsch. voorkomt, maar vroeger algemeen werd gevolgd.)]
[Voetnoot 47: Drievoudig misdoet ... Jegens de wetten: 1. als de oorzaken van zijn aanwezen; 2. als zijne opvoedsters; 3. als nooit onredelijke gebiedsters, die slechts voorstellen ... Keuren en wetsbepalingen werden, vóór de bekrachtiging, openlijk ten toon gesteld; om ze door ieder te laten lezen en beoordeelen, of ook iemand iets beters had voor te stellen.]
[Voetnoot 48: Nooit -- -- uit de stad geweest ... Zie de Inleiding.]
[Voetnoot 49: U tot ballingschap te veroordeelen ... De aanklager gaf, althans in gevalle dit niet bij de wet was bepaald, de straf op, die naar zijn inzigt de beklaagde door zijn misdrijf had verdiend. Was dan de zaak geregtelijk onderzocht, dan vroeg de overheid, in gevalle de beklaagde werd veroordeeld, den veroordeelde, welke straf hij zelf meende verdiend te hebben. Het antwoord van Socrates vindt de lezer in meergemelde verhandeling van Prof. P. Hofstede de Groot.]
[Voetnoot 50: Noch uit nood ... De sprekend ingevoerde wetten ontzenuwen hier alle mogelijke exceptiën, die tegen de geldigheid van een aangegaan verdrag kunnen worden ingebragt. (Jacobs.)]
[Voetnoot 51: Lacedaemon -- -- Creta ... In Plato’s werk: „Over den Staat,” worden deze staatsregelingen door Socrates als de beste geprezen (VIII, 544 c.), en zoo op meer plaatsen, bij Buttmann verzameld. Xenophon, gelijk bekend is, zeer met Lacedaemon ingenomen, prijst hare staatsinrigting, onder anderen, wegens de voorbeeldige gehoorzaamheid der burgers, en de hooge achting jegens grijsaards. Plato prijst als eene der voortreffelijkste verordeningen in Creta en Sparta, dat het jonge menschen verboden was hunne wijsheid uit te kramen over eenige wet, of ze goed was of niet. Had een bejaard man er eenige aanmerking op te maken, dan had hij het der overheid mede te deelen, mits niet in tegenwoordigheid van jonge lieden.]
[Voetnoot 52: Hades woningen ... der dooden verblijf.]
[Voetnoot 53: Wie de ooren suizen ... Er staat: „die de Corybanten-ongesteldheid hebben.” Corybanten waren priesters, die, zoo ze dachten, vol van de godheid, dansten. Corybanten-ziekte, eene ingebeelde ongesteldheid, waarbij men meende fluiten-muzijk te hooren, en die men waande van de Corybanten te komen. De zieken werden daarbij door geweldige onrust gejaagd, en gekweld door eene slapeloosheid, die door muzijk genezen werd.--Schleiermacher’s opvatting van deze plaats scheen ons de voorkeur te verdienen, boven ’t geen anderen hebben, b. v. Corybanten in geestdrift, de Corybantiasten, enz.]
[Voetnoot 54: Der goden bevel opvolgen ... Hoe geheel Socrates zich aan den goddelijken wil overgaf, blijkt overvloedig uit eene reeks van heerlijke plaatsen, door Nüsslin bijeengebragt.]
Voetnoten
[Voetnoot A: Veertien kinderen, die de Atheners jaarlijks aan Minos van Creta moesten zenden, tot boete voor den moord, aan zijnen zoon Androgeus gepleegd.]
[Voetnoot B: Het woord theorie, dat wij hier hebben vertaald door gezantschap, zending, beteekent eigenlijk: eene verrigting ter vereering van den god.]
Droits et provenance
Complete Crito in the 1846 Dutch translation by Michiel Jan Noordewier, with the translator’s historical annotations. The source edition divides the dialogue into seventeen sections; its separate introduction and subscriber list are not included in the reading text. Paired Gutenberg underscores marking italics are omitted from the reading text; the historical spelling is retained. Plato and Noordewier, who died in 1865, are in the public domain in France. Project Gutenberg credits and full licence are preserved in /texts/crito-noordewier-nl-source.txt. Source checked 28 October 2026; legal status may differ outside France.
Historical text: public domain in France. Project Gutenberg source, credits and terms retained.
Consulter l’édition sourceTélécharger la source et ses mentions
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg™ License included with this eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.