Kiemen van deugd, plichten van koningen
Volg Mencius van zijn audiëntie bij koning Hui tot het kind bij de put en de Ossenberg, en zie hoe één opvatting van de menselijke natuur een veeleisende politiek draagt.
Een oorspronkelijke inleiding. Deze gids begeleidt het lezen van het werk; hij is geen volledige tekst of vertaling.
De tekst situeren
Sima Qian meldt dat Mencius, nadat hij zich uit het openbare leven had teruggetrokken, het werk met Wan Zhang en andere leerlingen samenstelde, maar de vertelwijze en de eretitels die sommige leerlingen krijgen, wijzen erop dat volgelingen het hebben bewerkt. Zhao Qi, die in 201 stierf, legde de overgeleverde tekst vast in veertien delen en verwierp vier verdere boeken als onecht; de gangbare verwijzingen, zoals 2A6, volgen die indeling. De zeven boeken van de Mencius, elk in twee delen verdeeld, leggen gesprekken vast met vorsten, leerlingen en tegenstanders. Ze openen met het antwoord aan koning Hui van Liang dat welwillendheid en rechtschapenheid, en niet voordeel, een staat veilig houden, verdedigen vervolgens tegen Gaozi de goedheid van de menselijke natuur, beschrijven de vier kiemen van de deugd en schetsen een menselijk bestuur dat steunt op een zeker bestaan voor het volk.
De argumenten volgen
Welwillendheid vóór voordeel: Als koning Hui vraagt wat zijn staat voordeel zal brengen, waarschuwt Mencius dat vorst, ambtenaren en volk elkaar zullen beroven als zij allen hun voordeel zoeken; alleen welwillendheid en rechtschapenheid brengen duurzame orde. Het kind bij de put: Wie plotseling een kind op het punt ziet in een put te vallen, voelt schrik en mededogen, niet om gunst of aanzien te verwerven; zulke reacties tonen dat de kiemen van de deugd bij de menselijke natuur horen. Het volk eerst: Het volk is het belangrijkst, de altaren van de staat komen daarna en de vorst het laatst; een koning die welwillendheid en rechtschapenheid vernietigt, wordt een gewone ‘kerel’, en hem afzetten is geen koningsmoord.
Vervolg met lezen
Begin met 1A1, 1A7, 2A6 en 6A1–8 in een vertaling die de gangbare paragraafnummering behoudt, en let erop of Mencius argumenteert met analogieën, met anekdotes of met een beroep op de wijze koningen. Sima Qian meldt dat Mencius, nadat hij zich uit het openbare leven had teruggetrokken, het werk met Wan Zhang en andere leerlingen samenstelde, maar de vertelwijze en de eretitels die sommige leerlingen krijgen, wijzen erop dat volgelingen het hebben bewerkt. Zhao Qi, die in 201 stierf, legde de overgeleverde tekst vast in veertien delen en verwierp vier verdere boeken als onecht; de gangbare verwijzingen, zoals 2A6, volgen die indeling.
Voor Mencius vormen morele psychologie en politiek één argument: een vorst die het mededogen uitbreidt dat hij al heeft, kan goed regeren.
Tijd om zelf na te denken.
- Waarom weigert Mencius met koning Hui van Liang over voordeel te spreken?
- Wat toont het kind bij de put, en wat blijft daarmee onbewezen?
Je selectie en voortgang blijven in deze browser staan.